That government is best which governs least
 
Henry David Thoreau



Let the will of the state act, then, instead of that of the individual. Let an institution be created which shall have for its object to keep correct doctrines before the attention of the people, to reiterate them perpetually, and to teach them to the young; having at the same time power to prevent contrary doctrines from being taught, advocated, or expressed. Let all possible causes of a change of mind be removed from men's apprehensions. Let them be kept ignorant, lest they should learn of some reason to think otherwise than they do. Let their passions be enlisted, so that they may regard private and unusual opinions with hatred and horror. Then, let all men who reject the established belief be terrified into silence. Let the people turn out and tar-and-feather such men, or let inquisitions be made into the manner of thinking of suspected persons, and, when they are found guilty of forbidden beliefs, let them be subjected to some signal punishment. When complete agreement could not otherwise be reached, a general massacre of all who have not thought in a certain way has proved a very effective means of settling opinion in a country. If the power to do this be wanting, let a list of opinions be drawn up, to which no man of the least independence of thought can assent, and let the faithful be required to accept all these propositions, in order to segregate them as radically as possible from the influence of the rest of the world

 

Een alinea uit Charles Peirce: The Fixation of Belief. Pierce was van grote invloed op William James en John Dewey; de architecten van de schoolplicht in Amerika. De ’institution’ die in de eerste regel wordt bedoeld.

 

Politici, leiders van multinationals en topmannen van grote banken bedienen zich vandaag de dag niet meer van dit soort onverbloemde taal. Maar wat ze werkelijk bedoelen ligt, ben ik bang, wel vaak heel dicht bij de opvattingen die Pierce hierboven verwoordt. En de effecten op de samenleving zijn vergelijkbaar. Er zijn, vinden zij, nu eenmaal altijd willige belastingbetalers, slaafse arbeidskrachten en kritiekloze consumenten nodig.

 

Laten we ons eens verdiepen in het wezen van de samenleving, de aard van het individu, hoe die beide entiteiten zich als staat en burger tot elkaar verhouden en welke conserverende en dus remmende rol het hedendaags massaonderwijs daarin speelt voor de persoonlijke ontwikkeling.

 

Een samenleving in zijn natuurlijke staat wordt enerzijds gekenmerkt door onderlinge empathie en samenwerking, maar anderzijds toch ook door een voortdurende strijd tussen de individuen en groepen onderling. Pessimisten (zoals Thomas Hobbes) zagen het leven als ‘brutally short and cruel’. De enige mogelijkheid om het bestaan enigszins dragelijk te maken leek hem, het sluiten van een sociaal contract waarin de deelnemers bepaalde vrijheden opofferen in ruil voor veilgheid. Vrije individuen delegeren dan bepaalde privé bevoegdheden aan een soeverein. Welke bevoegdheden dat precies zijn, wie of wat die soeverein is, hoe de uitvoering is georganiseerd en wat de contractduur zal zijn, wordt daarbij helaas nooit ondubbelzinnig vastgelegd. Hier en nu lijken we ons te hebben neergelegd bij een contract voor onbepaalde tijd met de parlementaire democratie als soeverein. Rechten en plichten vloeien voort uit wetten die door een wetgevend lichaam worden opgesteld. Controle op het correct functioneren daarvan is gedelegeerd aan een gekozen volksvertegenwoordiging. Voor het waarborgen van interne en externe veiligheid hebben we politie en een krijgsmacht en aan de onderdanen van de staat kunnen sancties worden opgelegd door een rechterlijke macht. Deze politieke organisatievorm gaat inmiddels samen met een economisch systeem dat gekenmerkt wordt door een kapitalistische productiewijze. Tussen die beiden bestaat een onderlinge afhankelijkheid. Banken en bedrijfsleven gedijen bij een kader waarin continue accumulatie van kapitaal onder garantie van stabiliteit op lange termijn mogelijk is.

Zo moet de samenleving zich zien te handhaven binnen een centrifugaal krachtenveld van verschillende belangen. Laten we eens een paar van die belangen nader bezien. Allereerst die van de staat in haar hoedanigheid van de hedendaagse westerse democratie. In beginsel en onder de juiste omstandigheden een prima manier om een samenleving te organiseren. Een mooi en nog onbedorven voorbeeld ervan was de jonge democratie in Amerika van kort nadat de Pilgrim Fathers er in 1620 voet aan wal zetten. Het was een nieuwe natie die voornamelijk bestond uit mensen die het initiatief hadden genomen het dirigisme van staat en kerk van de oude wereld te ontvluchten. En er was op het nieuwe continent in eerste instantie ruimte genoeg zich te ontplooien zonder daarbij de ander voor de voeten te lopen. Naar dit voorbeeld hebben Europese staten, met name het Frankrijk van vlak na de revolutie, hun samenleving willen herinrichten. Maar nergens heeft men kunnen verhinderen dat de democratieën een prooi werden van hun eigen regulerende instincten. En zodoende ontstonden samenlevingen waarin de centrale overheid alles bedisselt en de bevolking niets te zeggen heeft. Dit noemde  de Tocqueville  een vorm van despotisme. In Frankrijk hoor je nogal eens zijn woorden:

‘Au-dessus de ceux-là s’élève un pouvoir immense et tutélaire….’

Enigszins vrij en aangepast aan deze tijd vertaald zegt hij: 

‘Boven de mensen verheft zich een immense en beschermende macht…’

en vervolgt dan:

‘…die zich bekommert om hun welzijn en waakt over hun lot. Zij is allesomvattend, overheersend,  vooruitziend, ordenend en zacht-moedig. Je zou deze instantie kunnen zien als een soort ouderlijke macht, ware het niet dat ze de mens onherroepelijk vasthoudt in een soort kinderlijke afankelijkheid in plaats van hem  te stimuleren tot volwassenheid. Ze ziet graag dat de onderdanen zich vermaken, mits ze aan niets anders denken dan het zich te vermaken. Ze heeft slechts hun welzijn voor ogen; ze beheert hun belangrijkste aangelegenheden, bepaalt hoe hard en hoe lang ze mogen werken en herverdeelt hun inkomen en erfenissen. Ach, ze zou hen maar al te graag  de moeite van het denken en de pijn van het leven geheel besparen. Elke dag beperkt ze de handelingen van de wil tot een kleinere ruimte en ontfutselt beetje bij beetje aan iedere burger zelfs het gebruik daarvan. ’s-Mens wens  tot gelijkheid heeft  al deze zaken bevorderd: ze heeft hem ertoe gebracht ze te verdragen en ze zelfs te beschou-wen als een weldaad. Na zo elk individu naar zijn wens te hebben gekneed, strekt de soeverein zijn handen uit naar de samenleving; hij omspant haar met een netwerk van futiele, gecompliceerde, minutieuze en uniforme regels; hij tiranniseert niet, hij hindert, toomt in, verzwakt, smoort, en reduceert ten slotte elke natie tot een kudde timide en bedrijvige dieren, waarvan de overheid de herder is’.

 

Het is ook bijna onvermijdelijk dat de samenleving zich in de richting van Huxley’s Brave New World ontwikkelt. Politieke partijen bestaan bij de gratie van hun populariteit bij de kiezers. De opinie van het volk wordt met regelmaat gepeild en anders laten de burgers zich wel spontaan horen. Collectief via belangengroepen of individueel als veronruste of boze onderdanen met de populistische media als hun megafoon. Voor realisme of het wijzen naar de eigen verantwoordelijkheid van het individu ontbreekt de politici de moed want het aantal zetels staat op het spel. En zo buitelen ze over elkaar heen in het doen van toezeggingen: vaak tegenstrijdig, meestal onrealistisch en vrijwel altijd kostbaar.
‘Wij lossen de files voor u op en verbeteren het millieu; er komt betaalbare, hoogwaardige gezondheidszorg voor iedereen; we zijn solidair met de derde wereld en er is in ons land voor de werkende een gegarandeerd minimumloon en voor alle anderen een riante uitkering’.
Voor het waarmaken van al deze toezeggingen is een formidabele hoeveelheid belastinggeld nodig. Dat kan slechts worden opgebracht als het volk zich schikt in de meest profijtelijke productiewijze: massaproductie.

 

Die massaproductie is een verschijnsel van ruwweg de laatste 100 jaar. Met de introductie van het gemechaniseerd productieproces ontwikkelde zich ook een geheel nieuwe sociale orde. Kenmerkend daarvoor zijn: trek van het platteland naar de stad, arbeidsdeling en specialisatie, een min of meer continue productie met een tijdsindeling volgens de klok in plaats van het ritme van de dagen en de seizoenen. Maar ook met andere sociale verbanden. De bezitters van kapitaal en machines enerzijds en de massa’s die arbeid leveren in ruil voor een loon daartegenover.

Massaproductie is kapitaalintensief omdat er veel en gecompliceerde, dus dure, machines nodig zijn. Er vindt accumulatie van kapitaal plaats doordat de bezittende klasse zich via ongelijke ruil de meerwaarde toegeëigend heeft. En als gevolg daarvan ontstaat een steeds machtiger wordende banksector.
Grootindustriëlen en topbankiers hebben er belang bij dat de overheid hen de ruimte geeft hun activiteiten voort te zetten of uit te breiden. En de overheid vaart wel bij een maatschappelijke orde die een jaarlijkse groei van het nationaal inkomen maximaal bevordert. Een wederzijdse afhankelijkheid waartussen het individu maar al te gemakkelijk wordt gemangeld.

Natuurlijk roept de politiek dat ze zich bij het bepalen van het beleid niet door de ongenuanceerd morrende kiezer laat leiden maar door wetenschappelijke inzichten. SER, CPB, SCP Onderwijsraad enz., enz., enz. Een leger aan onderzoeksinstituten en adviesorganen produceert jaar-in-jaar-uit cijfers die onze welvaart en ons welzijn tot ver achter de komma in kaart brengen. Maar hoe meer die cijfers aanspraak willen maken op algemene geldigheid, hoe minder ze in staat zijn het individu recht te doen. De gehanteerde statistische methode is noodzakelijkerwijze blind voor nuances. U herinnert zich wellicht nog de man die verdronk bij het oversteken van een rivier met een gemiddelde diepte van 1½  meter.



C.G. Jung formuleerde het zo: 

‘Men mag de werking van het statistische wereldbeeld niet onderschat-ten. Het verdringt het individuele ten gunste van annonieme eenheden, die zich in massagroepringen opeenhopen. Hiermee nemen dan de namen van organisaties de plaats van het concrete individu in en de hoogste plaats wordt door het abstracte begrip van de staat als principe van de politieke realiteit ingenomen. Hiermee wordt onvermijdelijk de morele verantwoordelijkheid van het individu door de politiek van de staat vervangen. In plaats van de morele en geestelijke differentiatie van het individu komen de welvaart en de verhoging van de levensstandaard. Het doel en de zin van het individuele leven (dat immers het enige werkelijke leven is!) bestaat niet meer in de individuele ontwikkeling, maar in het openbaar belang, dat de mens van buiten af wordt opgedrongen, namelijk in het doorvoeren van een abstract begrip. Dit begrip bezit de tendens om tenslotte al het leven aan zich te trekken. De morele beslissing en de eigen levenswijze wiorden het individu hoe langer hoe meer ontnomen en in de plaats daarvan wordt het als sociale eenheid bestuurd, gevoed, gehuisvest en vermaakt. De ideale maatstaf hiervoor wordt door het welzijn en de tevredenheid van de massa aangegeven. De bestuurders zijn op hun beurt weer net zulke sociale eenheden als de bestuurden en zij onderscheiden zich allee maar van hen door het feit dat zij gespecialiseerde vertegenwoordigers van de staatsleer zijn. Deze staatsleer heeft geen oordeelsbevoegde persoonlijkheden nodig, maar uitsluitend specialisten, die buiten hun vak niet bruikbaar zijn. Het openbaar belang beslist wat men moet leren en wat men moet bestuderen.


Als de mens op die manier voortdurend wordt gestuurd, bevolen en geïdoctrineerd door propaganda, reclame of goede raad, verspert dat de weg naar de directe innerlijke ervaring. Hoe zou hij dan nog in harmonie met zichzelf kunnen leven. En wat is eigenlijk precies dat ‘zelf’ en hoe manifesteert het zich. Het totale individu, de gehele persoonlijkheid, bestaat uit twee lagen. De eerste, de best gekende maar daarmee niet de belangrijkste, is het bewuste ik. We noemen dat de ratio en de bijbehorende activiteit het denken. Daartegenover staat het onderbewuste. Dat is te zien als een ervaringsbron die ontstaat door in de loop van het leven opgedane indrukken. Het is niet direct toegankelijk maar kan zich tijdens de slaap manifesteren door middel van dromen en in wakende toestand door een vage onrust of een zekere neiging. Ik zal deze entiteit hier verder de ziel noemen en de wijze waarop ze zich manifesteert het gevoel.
De scheiding tussen de ratio en de ziel leidt bij de geciviliseerde mens onvermijdelijk tot een conflict tussen denken en voelen. Een kloof die des te groter is als het onderbewuste zich in een natuurlijke en harmonieuze omgeving heeft kunnen ontwikkelen en de persoon op latere leeftijd terecht komt in een kunstmatige leefomgeving met een overmaat aan externe dwang. Dit ‘gevaar’ kan van bovenaf op twee manieren worden ingedamd. Door aanpassing van de leefomgeving of door conditionering van de mens.



1.    humanisering van de werk- en leefomgeving van de volwassenen
De uitwassen van de massaproductie behoren in West-Europe grotendeels tot het verleden. Deels omdat we het soort arbeid dat daar bij hoort hebben geëxporteerd naar de ontwikkelingslanden en anderzijds door de invoering van modernere sociotechnische organisatievormen zoals floormanagement of zelfsturende teams. Je zou dat natuurlijk als een wezenlijke verandering kunnen zien en niet als een modernere vorm van manipulatie. Maar wat te denken van de randstedelijke, arbeidsmobiele kenniswerker die om zeven uur van huis gaat , 1.5 uur in de file heen-, 8½  uur op het bedrijf (zelfsturend, dat wel) 1½ uur in de file terugreist en dan boodschappen doet, de kinderen van de crêche haalt  en ’s-avonds om 7 uur weer thuis is.  Om tenslotte, om concurrerend op de arbeidsmarkt te blijven nog een paar avonden in de week stukken van het werk doorneemt, vakliteratuur leest of bijgeschoold wordt.

2.    conditonering van de jeugd op een steeds jongere leeftijd.       
Nu heeft het ingrijpen via programma’s als instapje 1-2 jaar, opstapje 2-4 jaar en opstap 4-6 jaar nog slechts plaats met instemming van de ouders. Maar wat zal de de jeugdzorg, die toch immer het beste met ons voor heeft, ondernemen als de samenleving teveel last krijgt van onhandelbare jongeren of het bedrijfsleven een tekort dreigt te krijgen aan goed gediciplineerde arbeidskrachten. Is dan een verder afglijden in de richting van Huxle’s Brave New World volledig uit te sluiten? 

 

Maar er is ook een bottom-up approach denkbaar. De onafhankelijke en zelfbewuste volwassenen starten als zelfstandigen zonder personeel of organisereren zich met een paar maten als kleine productieeenheid. Dat is werkelijke zelfsturing, want die is immers niet beperkt door de randvoorwaarden van het bedrijf dat door anderen bestuurd wordt. En de jeugd wordt weer terug gegeven aan de ouders. Niet alleen in de periode van 0 tot 4 maar tot b.v. het vijftiende levensjaar. Met natuurlijk een maximum autonomie voor het kind zelf. Zo ontstaat een samenleving waar weer ruimte onstaat voor een onverstoorde  individuatie met een maximale ruimte voor individuele keuzes. Dat betekent een zo groot mogelijke harmonie tussen de signalen vanuit het onderbewuste zelf en het rationele ik. Dan moet er wel voldoende ‘stilte’ zijn om die innerlijke stem te horen en dat het rumoer dat het totale organisme via het bewuste denken te verduren krijgt niet mag overheersen.
Voor het onderwijs betekent dat:

·  Leven volgens een natuurlijk ritme.
Dus de dingen doen op momenten waarop je daar het best toe in staat bent. Volgens de innerlijke klok dus en niet gereguleerd door de schoolbel. Soms ben je gegrepen door iets en wil je er langer dan één lesuur mee doorgaan; wellicht zelfs tot diep in de nacht. Maar iedereen kent ook dagen dat je in de ochtend maar langzaam op gang komt. Je in die uren verplicht aan iets moeten wijden is geen best recept voor een hoog rendement. En iedereen zal het wel eens meegemaakt hebben dat je even rustig de tijd niodig hebt om dat wat je aan stof is aangeboden eens rustig te overdenken. Dan heb je behoefte aan een stille plek in een harmonische omgeving en niet aan de gedwongen onderdompeling in een weer totaaal andere  lesstof.

· Keuzes maken die bij je passen.
Jehudi Menuhin heeft gezegd: ‘ Ik heb in mijn leven maar één dag op school gezeten.  En eigenlijk vond ik het niet eens vervelend. Maar ik had belangrijker dingen te doen dan die daar op dat moment aan de orde waren.’ Het is natuurlijk ook onmogelijk dat iedereen in zijn jeugd gemotiveerd is om verplicht veertig uur in de week te besteden aan een door anderen gemaakte selectie van alles dat het doen en leren waard is. De basisvaardigheden die iedereen nodig heeft zijn, als je er twintig uur in de week aan besteedt, gemakkelijk in een jaar of vier aan te leren. Laat kinderen in de rest van de tijd hun passie volgen: sport, of muziek, of wiskunde…. Daar kunnen ze dan een grote hoogte in bereiken terwijl het het bestaan er tegelijkertijd een stuk aangenamer op wordt.

· Leven in harmonie met je omgeving.
Sommige mensen, gebouwen of  hierarchische verhoudingen zijn weinig bevordelijk voor een natuurlijke ontwikkeling. En dat geldt ook voor het onderwijs. Je kunt best zeggen dat alle leraren wel een paar leerlingen kunnen inspireren. En je kunt ook wel beweren dat er een paar leraren zijn die inspirerend zijn voor alle leerlingen. Maar het is beslist onwaar dat alle leraren inspirerend zijn voor alle leerlingen. 
Grote gebouwen, saaie lange gangen, lokalen vol met niet al te confortabele stoeltjes en tafeltjes met daarin een stuk of dertig rumoerige leerlingen, dat zijn toch nog steeds de belangrijkste kenmerken van de hedendaagse school. Niet iedere leerling functioneert opimaal in zo`n omgeving. En ook niet elk kind voelt zich echt op zijn gemak als zijn leven  het grootste deel van de dag fors wordt gedomineerd door anderen.  

 

We hebben laten zien dat de democratische samenleving zoals we die hier en nu kennen de instinctieve neiging heeft zich steeds indringender met het reilen en zeilen van de bevolking bezig te houden. En daar staat tegenover dat het individu dat zich op een natuurlijke manier ontwikkeld heeft een vanuit het gezonde onderbewuste opborrelende weerzin voelt tegen die ongewenste inmenging in het autonome zelf. De oplossing lijkt: een terugtredende overheid. Maar pas op!

Voorstanders van thuisonderwijs wensen geen inmenging van de overheid in  de manier waarop ze de educatie van hun kinderen vorm geven. Zelfs al zou hun kroost daardoor later een geringere bijdrage leveren aan het BNP van de natie. Maar zo zijn meer ‘stakeholders’
Liefhebbers van een bourgondische levensstijl wensen daar door anderen niet op te worden aangesproken. Ook niet als hun verkalkte aderen en vervette levers tot een forse stijging van de door ons allen gedragen kosten van de gezondheidszorg leiden.
Er zijn mensen die verwachten dat we overal ter wereld de mensenrechten moeten bevorderen, de armoede opheffen en het millieu verbeteren. Weer anderen vinden dat we wereldwijd het terrorisme dienen te bestrijden, de criminaliteit de kop in drukken, de mobiliteit bevorderen, de gedupeerde spaarders compenseren en de belastingen verlagen.
De overheid honoreert, temidden van al dit tumult, de verlangens hen die door macht of door getal het meest invloedrijk zijn. En dat dan ook nog met globale maatregelen die zoals Jung zei: het individuele verdingen ten gunste van annonieme eenheden, die zich in massagroepringen opeenhopen. De levensruimte voor kleine minderheden en individuen verdwijnt. Het is een tragische vergissing te denken dat een redelijk appèl op een door macht gecorrumpeerde manipulerende overheid zin heeft. Er rest ons slechts het vluchten en ontwijken. Er zijn gelukkig nog wel plekken waar je min of meer autonoom kunt leven. Daar moet je dan je eigen weg gaan: stil, onopvallend en vooral onafhankelijk. Zelfs als je vindt dat je belastinggeld wordt uitgegeven aan ongewenste snelwegen, zinloze oorlogen of uitkeringen voor mensen die uiteindelijk beter af zouden zijn als ze leerden voor zich zelf te zorgen. Diezelfde massaproductie die zo funest is voor de ontwikkeling van het autonome zelf heeft ervoor gezorgd dat velen zich in relatieve welstand terug kunnen trekken op plaatsen in de wereld waar voldoende ruimte is om te leven naar je eigen principes. Dat lijkt me het gouden midden tussen de willoze overgave enerzijds en de frontale aanval op de ‘instanties’ anderzijds.

herman.heringa@orange.fr